JOURNEYS OFDISCOVERY

Een deel van de telescoop staat nog steeds in het Mullard Radio Astronomy Observatory buiten Cambridge. Hoe was het om hem te bouwen?

JBB: Het zag eruit als een landbouwframe, iets waar je erwten in zou kunnen verbouwen – een heleboel draden en kabels aan palen geregen over een ruimte ter grootte van 57 tennisbanen. Het was eigenlijk gebouwd om de radiostraling van quasars te bestuderen. Ik bouwde het prototype en daarna deden we er met z’n zessen twee jaar over om het echte ding te bouwen. Het was niet erg glamoureus, maar het functioneerde heel goed en het ging aan toen ik het de eerste keer gebruikte.

In twee maanden tijd ontdekte u de eerste vier pulsars; er zijn er nu 3000 bekend. Waarom zijn pulsars interessant?

JBB: Ze zijn extreem klein, zo’n tien mijl in doorsnee, en zeer dicht omdat ze worden gevormd wanneer sterren van een bepaalde grootte op catastrofale wijze exploderen. Als je de bevolking van de wereldbol in een naai-hoedje zou proppen, zou het hetzelfde wegen als wanneer het vol zou zitten met pulsar materiaal.

Pulsars zijn zichtbaar omdat ze een straal van radiogolven rond de hemel slingeren, een beetje als een vuurtoren, en wanneer die straal op een radiotelescoop schijnt, pik je een zeer nauwkeurige puls, puls, puls op – als ‘klokken’ die door het hele melkwegstelsel verspreid zijn.

Ze hebben een heleboel extreme fysica in zich en wetenschappers gebruiken ze om relativiteitstheorieën op kosmische schaal te testen. De theorieën van Einstein blijken tot nu toe goed te werken.

Hoe zou jij jezelf omschrijven als 24-jarige promovendus?

JBB: Ik was heel, heel grondig, om er zeker van te zijn dat ik echt begreep hoe die telescoop werkte, en dat hij goed werkte. Ik was ervan overtuigd dat ik niet slim genoeg was om in Cambridge te blijven en er op een gegeven moment zou worden uitgegooid. Mijn beleid was om zo hard mogelijk te werken, zodat ik zou weten dat ik mijn best had gedaan. We noemen dit nu het bedriegersyndroom, maar we kenden het toen niet, en gaven het zeker geen naam.

U gebruikte de beroemde letters LGM om uw grafieken te labelen. Vertel ons over de Little Green Men.

JBB: Radiotelescopen pikken door mensen veroorzaakte interferentie op: booglassers, vonkende thermostaten, slecht onderdrukte auto’s. Ik moest deze interferentie identificeren en raakte gewend aan het herkennen van kenmerken op de kaart. Soms was er iets dat ik niet herkende en dat ik dan noteerde met een vraagteken of, als grapje, LGM voor Little Green Men. Dat was gemakkelijker dan te zeggen “weet je die grappige pulserende bron op rechte klimming 1919, declinatie plus 20”. Dus werd het LGM.

Hoe mondde dit uit in de ontdekking van de eerste pulsar, die u later CP1919 (Cambridge pulsar at 19 hours 19 minutes right ascension) hebt genoemd?

JBB: Uit een bepaald stuk van de hemel kwam soms een niet-classificeerbaar signaal terug en mijn hersenen begonnen te zeggen: “Je hebt zoiets al eerder gezien, nietwaar? Je hebt zoiets al eerder gezien vanuit dit stukje hemel, nietwaar?”

Ik haalde eerdere opnamen uit dat stukje hemel. Vaak was het er niet, maar als het er was, behield het zijn plaats tussen de sterren.

Ik sprak met mijn supervisor, Professor Tony Hewish, en hij wees mij erop dat het slechts een kwart inch ruimte innam op de kaarten – ongeveer één deel op 10 miljoen van alle kaarten die ik had. Hij stelde voor dat ik overschakelde op een betere, snellere recorder. Een maand lang registreerde hij niets, en toen op een dag, op 28 november 1967, kwam het weer, een reeks pulsen met een tussenpoos van anderhalve seconde.

Tony was voorzichtig. Hij vermoedde dat ik de radiotelescoop verkeerd had aangesloten. Dus controleerden we een andere radiotelescoop op het terrein. Het ding pulseerde mooi op de mijne, maar toen we bij de pen recorder stonden van deze andere telescoop, gebeurde er niets. Het was een verschrikkelijk moment. En plotseling was het daar, vijf minuten later omdat we ons hadden misrekend wanneer de telescoop het zou zien. Als we ons 25 minuten hadden misrekend, waren we allemaal naar huis gegaan en zou het verhaal anders zijn.

Images: de eerste detectie van radiosignalen van CP1919 was op 6 augustus 1967, hoewel het gepulseerde karakter op dat moment nog niet werd vermoed. De eerste waarneming van pulsen was op 28 november 1967. Afbeeldingen met dank aan Churchill Archives Centre, HWSH Acc 355.

Plaats een reactie